Ongewenste totstandkoming van een digitale overeenkomst

Het uitgangspunt van het Nederlandse overeenkomstenrecht is dat een overeenkomst tot stand komt door “aanbod en aanvaarding” zoals dit is vastgelegd in art. 6:217 BW. Dit geldt ook voor de totstandkoming van een elektronische overeenkomst.

Hoe zit het nu wanneer een stagiaire die niet bevoegd is om een overeenkomst aan te gaan toch een digitale overeenkomst aangaat? De aanvaarding vanaf een bedrijfs-mailadres en een bedrijfscomputer is in deze zaak afdoende gebleken om gebonden te worden aan een overeenkomst. Dat deze aanvaarding door een onbevoegde is gedaan maakt hierbij geen verschil.

Ongewilde overeenkomst

Waar ging het over in deze rechtszaak die diende bij de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland?

De eiseres in deze zaak houdt zich bezig met dienstverlening aan het midden- en kleinbedrijf op het gebied van marketing, communicatie en multimedia. Zij beheert een aantal branche-gerelateerde websites, waaronder de Nationale Zorggids. De gedaagde voert zij een psychologische praktijk en verzorgt bedrijfsopleidingen en trainingen.

Bij de gedaagde is een stagiaire werkzaam. Deze stagiaire heeft de beschikking over een computer en mailadres van de psychologische praktijk. De Nationale Zorggids heeft telefonisch contact opgenomen met de psychologische praktijk en hierbij de stagiair gesproken die zich presenteert als assistente. Na dit telefoongesprek is er een offerte voor een mediapakket per mail toegestuurd. Deze offerte wordt door de psychologische praktijk via een website bevestigd waarna de Nationale Zorggids een bevestigingsmail van de overeenkomst toestuurt. Diezelfde dag belt de Nationale Zorggids nog met de praktijk waarbij de overeenkomst telefonisch wordt bevestigd.

Als gedaagde in deze zaak een eerste factuur ontvangt neemt zij contact op met de Nationale Zorggids. In dit telefoongesprek geeft aan ze aan dat ze nooit contact heeft gehad met de Nationale Zorggids en dat zij geen overeenkomst heeft gesloten.

Aanvaarding heeft plaatsgevonden

De kantonrechter is van mening dat er voldoende en overtuigend bewijs is, dat het aanbod daadwerkelijk is aanvaard. Deze aanvaarding is weliswaar niet gebeurd door de gedaagde maar door haar stagiaire.

De kantonrechter is van oordeel dat daarmee genoegzaam is komen vast te staan dat het digitale aanvaardingsproces weliswaar niet door [gedaagde] zelf, maar wel door één van haar stagiaires is doorlopen. Dat aanvaarding heeft plaatsgevonden (door middel van het doorlopen van het digitale aanvaardingsproces) blijkt ook uit het telefoongesprek van 25 augustus 2015 (…).

Gerechtvaardigd vertrouwen

De gedaagde in deze zaak verweert zich vervolgens door er op te wijzen dat de Nationale Zorggids er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de psychologische praktijk daadwerkelijk een overeenkomst aan wilde gaan.

De kantonrechter stelt dat het digitale aanvaardingsproces is doorlopen. Bovendien is de aanvaarding telefonisch bevestigd. Dat achteraf is gebleken dat het aanvaardingsproces feitelijk door één van de stagiaires is doorlopen, doet daar volgens de kantonrechter niet aan af.  De eiser in deze zaak heeft het gebruik van het mailadres van de  psychologische praktijk en het laten beantwoorden van de telefoon aan een stagiaire overgelaten. Hiermee heeft de gedaagde zelf de mogelijkheid gecreëerd dat de stagiaire het aanbod van de Nationale Zorggids heeft aanvaard. In de zorg, zo stel de kantonrechter, is het gebruikelijk dat zorgverleners zich bij de uitvoering van (administratieve) werkzaamheden laten bijstaan door een (of meerdere) assistente(s). Derden moeten kunnen vertrouwen op de juistheid van de mededelingen van dergelijke assistentes.

Al met al moeten de omstandigheden op basis waarvan de schijn is gewekt dat [gedaagde] weldegelijk een overeenkomst met [eiseres] wilde aangaan – en daartoe ook zelf het digitale aanvaardingsproces heeft doorlopen – naar het oordeel van de kantonrechter aan [gedaagde] worden toegerekend. Op grond van artikel 3:35 BW mocht [eiseres] er daarom gerechtvaardigd op vertrouwen dat [gedaagde] de wil had om een overeenkomst aan te gaan betreffende het Standaard Mediapakket van de Nationale Zorggids.

Omstandigheden

Deze uitspraak toon aan dat er al snel sprake is van zogenaamd “rechtvaardig vertrouwen”. Het lijkt er nu wellicht op dat zodra er een bevestiging vanuit een organisatie afkomstig is, een verkopende partij er in principe op mag vertrouwen dat de wil er is om de overeenkomst aan te gaan. Dit is echter te kort door de bocht. Naar mijn mening had de rechter ook tot een andere uitspraak kunnen komen en hangt het oordeel steeds weer af van de omstandigheden waarbinnen het gerechtvaardigde vertrouwen wordt aangeroepen.

"Het blog Juridict.nl verschaft inzicht in het domein Recht en ICT. Dit zowel vanuit juridisch- als vanuit ICT perspectief."