Onrechtmatigheid op grond van de AVG?

In toenemende mate wordt er binnen rechtszaken een beroep gedaan op onrechtmatigheid op grond van de AVG. Wat mij betreft een interessante ontwikkeling in het ontstaan van jurisprudentie rondom deze nieuwe privacywet. In een recente uitspraak heeft de Rechtbank van Amsterdam in een kort geding haar oordeel gegeven over de vraag of de AVG zich ertegen verzet dat een werkgever in een arbeidsconflict gebruik maakt van een rapport dat door een extern onderzoeksbureau is opgesteld.

Werknemer doet een beroep op onrechtmatigheid

In deze zaak is er sprake van een arbeidsconflict. De werknemer wordt op non-actief gesteld waarbij de werkgever aankondigt dat er een onderzoek naar het gedrag van de werknemer wordt gestart door een extern onderzoeksbureau. Naar aanleiding van het onderzoeksrapport geeft de werkgever te kennen dat zij de arbeidsovereenkomst met de werknemer gaat beëindigen.

Klacht, verzoek en beroep

De werknemer dient vervolgens een klacht in tegen het onderzoeksbureau bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Dit, zo valt te herleiden uit het processtuk, omdat de werknemer twijfels heeft bij de rechtmatigheid van het onderzoek en de verwerking van de persoonsgegevens.

Daarnaast verzoekt de werknemer aan de werkgever om het onderzoeksrapport te wissen, omdat de persoonsgegevens die daarin zijn opgenomen onrechtmatig zouden zijn verkregen. De werkgever voldoet niet aan dit verzoek.

Mede op grond van het niet voldoen aan dit verzoek start de werknemer een kort geding. De werknemer vordert onder meer om de werkgever te verbieden het onderzoeksrapport met de daarin vervatte informatie over de werknemer (de persoonsgegevens) te gebruiken en verder te verwerken, totdat de rechter een definitief oordeel heeft geveld over de verzoeken van de werknemer tot inzage, beperking van de verwerking en het wissen van de persoonsgegevens. De werknemer beroept zich daarbij met name op de artikelen 5 en 15 tot en met 19 van de AVG.

Niet in strijd met de AVG

De voorzieningenrechter stelt in zijn beoordeling dat de werkgever onweersproken heeft gesteld alleen de contactgegevens van de werknemer en geen andere persoonsgegevens, aan het onderzoeksbureau te hebben verstrekt. De werkgever heeft terecht gesteld daarbij een gerechtvaardigd belang te hebben, als bedoeld in artikel 6 onder f van de AVG, namelijk om een onderzoek te doen verrichten naar mogelijk ongewenst gedrag van de werknemer op de werkvloer. Anders dan de werknemer stelt is de werkgever daarin ook transparant geweest. Tegen deze achtergrond kan de rechtbank  geen aanknopingspunten vinden dat de werkgever in strijd handelt of heeft gehandeld met de AVG.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de werknemer af. Het gevolg hiervan is dat de werkgever gebruik mag maken van het onderzoeksrapport in het kader van de ontbindingsprocedure. In een aantal van mijn eerdere artikelen heb ik stil gestaan bij het feit dat de rechter in civiele zaken onrechtmatig verkregen bewijs veelal kan laten meespelen in zijn beoordeling. De vraag is dan ook of een ander besluit van de voorzieningenrechter nadelig had geweest voor de komende  ontbindingsprocedure.

"Het blog Juridict.nl verschaft inzicht in het domein Recht en ICT. Dit zowel vanuit juridisch- als vanuit ICT perspectief."