Inzet van bewakingscamera's in overeenstemming met de AVG?

Een veel gehoorde opmerking is dat er “niets meer mag” waar het gaat om de verwerking van persoonsgegevens, nu de AVG van kracht is. We beginnen echter te ervaren dat het vooral gaat om zorgvuldigheid en het weloverwogen omgaan met persoonsgegevens. Een mooi voorbeeld hiervan is de volgende casus waarbij een aantal omwonenden van een bedrijfspand bezwaar heeft tegen de aanwezigheid van bewakingscamera’s die aan dit pand zijn bevestigd.

Handhavingsverzoek

Een aantal omwonenden van een bedrijfspand heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) verzocht om handhavend op te treden tegen twee bewakingscamera's die aan het bedrijfspand zijn bevestigd. De omwonenden zijn van mening dat de aanwezigheid van de camera’s een inbreuk maakt op hun privacy en bovendien onnodig zijn.

Gerechtvaardigd belang

De AP heeft ter plaatse onderzoek verricht en er heeft een hoorzitting plaatsgevonden. De AP heeft het handhavingsverzoek vervolgens afgewezen. De AP is namelijk van mening dat er een “gerechtvaardigd belang” is voor de eigenaar van het bedrijfspand om bewakingscamera’s in te zetten. Daarbij is tevens vastgesteld dat ook de noodzaak daartoe aanwezig is en dat er een goede belangenafweging is gemaakt.

Bezwaar bij de AP

De bewoners gaan vervolgens in bezwaar bij de AP. Ook dit bezwaar wordt afgewezen. De AP motiveert dit uitvoerig. Ik noem kortheidshalve een aantal argumenten. De AP gaat in op de proportionaliteit waarbij zij van mening is dat de camera's zo zijn afgestemd dat zo min mogelijk wordt gefilmd. Daarbij is de AP van mening dat het gebruik subsidiair is en het bewakingsdoel kan niet worden bereikt met alleen maar interne camera's. Het bedrijf wist de beelden binnen twee weken en de camera zijn toereikend beveiligd en inlogpogingen hierop worden gelogd. Ook worden voorbijgangers met opvallende stickers gewezen op de aanwezigheid van de camera's.

Beroep door de rechtbank

De bewoners stellen vervolgens beroep in bij de rechtbank. De rechtbank verwerpt het beroep. De rechtbank voert hiertoe de volgende overweging aan: “De rechtbank vindt het bestreden besluit inhoudelijk ook juist. De bescherming van eigendommen is een gerechtvaardigd belang in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Dit belang is in dit geval ook daadwerkelijk aanwezig, omdat er in ieder geval één incident heeft plaatsgevonden waarbij eieren zijn gegooid. Dat daarvan geen aangifte is gedaan door derde-partijen, wil niet zeggen dat er geen daadwerkelijk belang is. Het cameratoezicht is verder noodzakelijk om de eigendommen van derde-partijen goed te beschermen. Aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan. Uit het onderzoek ter plaatse, dat zich heeft gericht op wat feitelijk wordt gefilmd, is gebleken dat de camera’s slechts een klein deel van de openbare weg filmen en niet méér personen op de weg in beeld brengen dan noodzakelijk is om de eigendommen van derde-partijen te beschermen. Voor het effectief beveiligen van de eigendommen is het nodig dat de perceelgrens mét het toegangshek en een stuk van de daaraan grenzende openbare weg in beeld komt. Zoals verweerder heeft toegelicht, voldoen minder vergaande beveiligingsmaatregelen niet en is het voor een efficiënte beveiliging nodig dat wordt gefilmd, zodat bijvoorbeeld een aangifte goed kan worden onderbouwd. Verweerder heeft het belang van derde-partijen bij het beschermen van hun eigendommen terecht zwaarder laten wegen dan het belang van eisers, die als omwonenden slechts vluchtig in beeld komen. Passanten komen niet helemaal in beeld, tenzij ze vlak voor het toegangshek gaan staan, op het terrein van derde-partijen. Verder worden passanten over het cameratoezicht geïnformeerd door middel van stickers. Uit het voorgaande volgt dat er waarborgen zijn die de schending van de privacy zo veel mogelijk minimaliseren. Uit de toelichting van verweerder ter zitting en in het verweerschrift blijkt dat verweerder ook heeft geverifieerd dat daadwerkelijk aan deze waarborgen is voldaan. Bij de beoordeling is niet van belang dat het mogelijk is dat de stand van de camera’s in de toekomst wordt aangepast. Het wantrouwen van eisers is geen reden om handhavend op te treden. Het gaat er om of er ten tijde van het bestreden besluit in strijd werd gehandeld met de AVG, en dat is niet het geval. De derde camera die volgens eisers is geplaatst, valt buiten het handhavingsverzoek. De uitleg van verweerder ter zitting waarom daar geen verdere aandacht aan is besteed komt de rechtbank overigens ook niet onredelijk voor. Verweerder is dus terecht niet tot handhaving overgegaan”.

Stickers aanbrengen

Op grond van de AVG heeft het bedrijf een informatieplicht dat de openbare weg wordt gefilmd. De AP reageert naar mijn idee zeer meegaand en flexibel door het gebruik van een aantal stickers met daarop de afbeelding van een camera als toereikend te kwalificeren.

De AP heeft vastgesteld dat de stickers bij het passeren van de panden vanaf de openbare weg duidelijk zichtbaar zijn. Gelet hierop is de AP van oordeel dat voorbijgangers op de openbare weg in voldoende mate worden geïnformeerd over het cameratoezicht. De AP is dan ook van mening dat geen sprake is van een overtreding van de informatieverplichting van artikel 14 van de AVG.

Een mooie ontwikkeling dat de AP hierin zo optreedt. Ik ben echter benieuwd of dit in hoger beroep bij de Raad van State stand houdt? Het zal me niet verbazen dat de omwonenden gebruik gaan maken van deze beroepsmogelijkheid.

"Het blog Juridict.nl verschaft inzicht in het domein Recht en ICT. Dit zowel vanuit juridisch- als vanuit ICT perspectief."