Blog over recht en ICT

      rechtenict@juridict.nl

Vorderen persoonsgegevens door Belastingdienst

Recent heeft de Rechtbank Amsterdam in een kort geding geoordeeld dat de Stichting museumkaart gegevens van een specifieke museumkaarthouder aan de Belastingdienst moet verstrekken. De kortgedingrechter oordeelt dat het belang van het privé houden van de gegevens moet wijken voor het algemeen belang van een correcte belastingheffing.

Vorderen van persoonsgegevens door de Belastingdienst

De Belastingdienst vorderde in deze zaak de gegevens van een museumkaarthouder bij de Stichting museumkaart. Het ging hierbij om gegevens over museumbezoeken van deze kaarthouder. De Belastingdienst voerde aan dat deze persoonsgegevens van belang zijn voor de belastingheffing omdat de Belastingdienst hiermee kan bepalen of deze kaarthouder in Nederland woonachtig is en zo te kunnen beoordelen of deze persoon hier belastingplichtig is.

De Stichting museumkaart ging hiertegen in verweer en stelde dat zij niet verplicht is om deze persoonsgegevens te verstrekken. De toewijzing van de vordering vormt een grote inbreuk op de privacy van de kaarthouder, terwijl de relevantie van de bezoekregistraties voor het kunnen vaststellen van iemands woonplaats uiterst gering is. Tot slot zal toewijzing van de vordering een negatief effect hebben op de verkoop van museumkaarten, waardoor het museumbezoek kan afnemen, zo stelt de Stichting.

AVG biedt voldoende grondslag

In haar beoordeling komt de Rechtbank tot het oordeelt dat de Belastingdienst voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de opgevraagde persoonsgegevens een rol kunnen spelen bij de correcte belastingheffing. Uit de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) volgt dat alle feiten en omstandigheden betrokken kunnen worden bij de beantwoording van de vraag of iemand in Nederland belastingplichtig is. De frequentie van de museumbezoeken en de bezochte locaties kunnen indicatoren zijn voor de woonplaats van de betreffende persoon.

4.3 (…) Voor de vraag of iemand belastingplichtig is, is immers van belang waar hij of zij woonplaats heeft en daarbij kunnen alle relevante feiten en omstandigheden betrokken worden. Weliswaar zegt het gebruik van de museumkaart met name iets over de vrijetijdsbesteding van een persoon, maar de Belastingdienst heeft terecht gesteld dat de frequentie van de bezoeken en de bezochte locaties indicatoren kunnen zijn voor de woonplaats van de betrokkene in Nederland. De gevraagde gegevens kunnen dus wel degelijk van substantieel belang zijn.

De Rechtbank oordeelt verder dat de verstrekking van deze persoonsgegevens inderdaad een aantasting oplevert van de privacy van de betrokkene. Deze aantasting kan echter gerechtvaardigd zijn wanneer de persoonsgegevens worden verzameld op basis van de AWR mits wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De Rechtbank komt tot het oordeel dat hieraan is voldaan. De Belastingdienst heeft immers de specifieke informatie ten aanzien van slechts één individuele betrokkene gevorderd en heeft hiermee niet meer informatie opgevraagd dan noodzakelijk is om te kunnen vaststellen of de betrokkene in Nederland woonachtig is.

De Belastingdienst, zo oordeelt de Rechtbank, heeft verder terecht gesteld dat het bepaalde in artikel 6 AVG voldoende grond biedt voor het opvragen en verwerken van de gevraagde informatie. De verwerking is krachtens de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) rechtmatig, indien deze noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting, zoals in dit geval artikel 53 jo 47 AWR . Uit artikel 6 lid 4 jo artikel 23 AVG volgt voorts dat verwerking voor een ander doel dan waarvoor de gegevens zijn verzameld mogelijk is, indien die verwerking berust op een lidstaatrechtelijke bepaling die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van (onder meer) een belangrijk economisch of financieel belang van een lidstaat, waaronder fiscale aangelegenheden. Ook dat is hier aan de orde, zo oordeelt de Rechtbank.

De Rechtbank wijst de vordering van de Belastingdienst toe. Met dit vonnis bevestigd de Rechtbank dat de Belastingdienst specifieke persoonsgegevens, onder voorwaarden, kan opvragen onder derden.